Sinds 2021 is bedelen erkend als een mensenrecht. Eeuwenlang werd het echter als een misdaad behandeld die de openbare orde verstoorde. In 1993 werden bedelen en landloperij uit het Belgische strafrecht gehaald. Uitbuiting van bedelaars blijft echter strafbaar.
In de middeleeuwen werden bedelaars als paria’s beschouwd die geen bijdrage leverden aan de samenleving. Geld schenken aan een bedelaar werd evenwel als een daad van naastenliefde beschouwd. Liefst werden ze geweerd uit het stadscentrum. Alleen bij kermissen en feesten mochten ze deelnemen aan het openbare leven. Om aandacht en medelijden op te wekken, verkleedden ze zich en maakten ze gekke dansjes of muziek.
Om overlast te beperken, voorzagen nationale en lokale overheden strenge maatregelen. De vagebonden moesten een bedelaarsinsigne dragen. Dat werd uitgereikt door het gemeentebestuur.

In de 19de eeuw nam de armoede enorm toe. Om landloperij in te perken, richtte de staat bedelaarskolonies op. Op afgelegen domeinen kregen bedelaars, zwervers en armen onderdak, ver weg van de blik van de burgerij. Uiteindelijk was de Kempische kolonie van Hoogstraten, Merksplas en Wortel de enige locatie voor heel België.
Hier wilden ze bedelaars heropvoeden om ze weer in de samenleving in te schakelen. Zo veranderde het bedelaarsgesticht van Hoogstraten in 1880 in een landbouwkolonie. Gezonde bedelaars bewerkten de gronden rond het kasteel van Hoogstraten. In 1931 werd de kolonie omgevormd tot een open gevangenis met een opleidingscentrum.

Met de wet tegen de landloperij van 1866 kende Wortel-Kolonie een toestroom van arme daklozen. In 1870 werd de vrije landbouwkolonie van Wortel een onvrije weldadigheidskolonie. Tegenwoordig zijn die kolonies Unesco Werelderfgoed en een stiltegebied met een gezellige kinderboerderij.
Ce récit a été réalisé par OKV pour FAAM - musée virtuel.





